Criteria voor erkenning van bemiddelaars
Op grond van art. 1726 en 1727 § 6 van het Ger. Wetboek heeft de Federale Bemiddelingscommissie de criteria voor erkenning van bemiddelaars als volgt vastgesteld.
1. De kandidaat-bemiddelaar doet op grond van het in het heden of in het verleden uitgeoefende activiteit blijken van een bekwaamheid die door de aard van het geschil wordt vereist.
2. De kandidaat-bemiddelaar toont aan hetzij met vrucht een opleiding van het niveau bachelor overeenkomstig het Bologna-akkoord of gelijkwaardig te hebben gevolgd, met daarnaast minstens twee jaar professionele ervaring, hetzij minstens vijf jaar professionele ervaring te hebben verworven.
3. De kandidaat-bemiddelaar doet blijken van de voor de bemiddelingspraktijk passende vorming of ervaring.
Hiertoe toont hij aan hetzij dat een erkende vorming van bemiddelaar, georganiseerd door een door de Federale Bemiddelingscommissie erkende instantie, in verband met de soort bemiddeling waarvoor een erkenning wordt gevraagd, met vrucht werd gevolgd, hetzij door indiening van een met bewijsstukken gestaafd dossier, dat een hiermee gelijkwaardige vorming werd gevolgd en/of een gelijkwaardige ervaring werd verworven.
De Federale Bemiddelingscommissie zal beoordelen welke vormingen en/of verworven ervaringen als gelijkwaardig kunnen worden beschouwd.
4. De kandidaat-bemiddelaar biedt de met het oog op de uitoefening van de bemiddeling noodzakelijke waarborgen inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid.
5. De kandidaat-bemiddelaar toont aan, door voorlegging van een uittreksel uit het strafregister (voor de kandidaat-bemiddelaar in familiale zaken een uittreksel nr. 2) afgeleverd maximaal twee maand voor indiening van zijn aanvraag, niet het voorwerp te zijn geweest van een veroordeling die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar.
6. De kandidaat-bemiddelaar heeft geen tuchtsanctie of administratieve sanctie opgelopen die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van erkend bemiddelaar.
Hiertoe voegt hij bij indiening van zijn aanvraag een verklaring op eer dat hij geen tuchtsancties of administratieve sancties heeft opgelopen in het verleden, of met vermelding welke tuchtsancties of administratieve sancties hem in het verleden werden opgelegd.
De kandidaat-bemiddelaar die deel uitmaakt of uitgemaakt heeft van een op grond van de wet georganiseerde beroepsorde of instituut dat een eigen tuchtrechterlijk systeem heeft, voegt bovendien bij zijn aanvraag een attest van de bevoegde tuchtoverheid met melding dat voorheen geen tuchtsanctie of administratieve sanctie werd opgelegd, ofwel met vermelding van de voorheen opgelegde administratieve - of tuchtsancties.
7. De kandidaat-bemiddelaar toont aan dat zijn activiteiten als bemiddelaar gedekt zijn door een professionele aansprakelijkheidsverzekering, of legt minstens een attest van een erkend verzekeraar voor waaruit blijkt dat zijn bemiddelaarsactiviteit vanaf de toekenning van de erkenning door een aansprakelijkheidsverzekering zal gedekt zijn.
8. De kandidaat-bemiddelaar verbindt zich ertoe de gedragscode opgesteld door de Federale Bemiddelingscommissie op grond van art. 1727 § 6 7o van het Ger. Wetboek te eerbiedigen.
9. De kandidaat-bemiddelaar verbindt zich ertoe na het bekomen van de erkenning als bemiddelaar de permanente vorming te volgen waarvan het programma door de Federale Bemiddelingscommissie erkend is.